Langs de waterkant

Aflevering 19: Coasters van de RKC

In deze rubriek belicht maritiem publicist en fotograaf Willem Moojen uit Beverwijk de Nederlandse scheepvaart door de jaren heen. Deze negentiende aflevering van 'Langs de waterkant' gaat over coasters van de Rotterdamse Kustvaart Centrale.

De Rotterdamsche Kolen Centrale werd op 11 april 1922 opgericht door Rijk Pieter Schoonheim en zijn vrouw Antonia. Hun bescheiden brandstoffenhandeltje aan de Wijnhaven met huis aan-huisverkoop, zou later verhuizen naar de Voorhaven, allebei in (Delfshaven) Rotterdam . Het overslagterrein van de RKC was gevestigd aan Pier II in de Waalhaven in Rotterdam. Het bedrijf zou uitgroeien tot een van de grootste detailkolenhandelaren (industrie- en huisbrandkolen) in Europa. Jarenlang werden huizen in Rotterdam en elders in het land, ook via dochterondernemingen Haagsche Anthraciet Mij en Internationale Huisbrand Mij voorzien van Seven Sisters antraciet uit Wales. De groene vrachtwagens met het logo van een duivel boven een brandende berg kolen waren een bekend gezicht bij menig huisgezin die de kolenvoorraad voor de winter aanschafte. Los gestort in een kolenhok en later ook in papieren zakken van 7 kg. Vooral in Rotterdam werd door de RKC veel reclame gemaakt voor hun eerste klas duurzame kolen. Naast kolen uit Wales, werden o.a. ook kolen betrokken uit België en andere landen.

Rotterdamsche Kustvaart Centrale

In de jaren dertig van de vorige eeuw groeide het bedrijf snel en werd besloten de aanvoer van kolen voor een groot gedeelte met eigen schepen aan te voeren. De eerste coaster die in dienst werd gesteld was de ruim 51 meter lange, 650 ton metende Ton-S op 30 juni 1937, gevolgd door twee identieke coasters. Dit leidde in december 1937 tot een eigen rederij, de Rotterdamsche Kustvaart Centrale, die het beheer over de schepen voerde. De RKC zou een vloot exploiteren van 10 coasters, twee grote vaart schepen, binnenvaart- en sleepschepen, lichters en een aantal sleepboten. Ook werd het beheer gevoerd voor schepen onder buitenlandse vlag. Via dochtermaatschappij American Anthracite & Bituminous Coal Corporation verscheepte de RKC na de Tweede Wereldoorlog enorme hoeveelheden kolen uit de Verenigde Staten. Daarvoor voeren speciaal twee Liberties in beheer. De Drury L.S. (1943) en Londredam L.S. (1944). De schepen zouden bijna twee jaar voor de RKC varen. Tevens werden veel schepen gecharterd.

Grootste coaster

Twee bijna identieke half-shelterdeck coasters kwamen in 1952 en 1953 in de vaart. De eerste was de bij de Terneuzensche Scheepsbouw Mij gebouwde Gerry-S op 6 december 1952, gevolgd op 27 februari 1953 door de Betty Anne-S, gebouwd bij Bodewes Scheepswerven in Martenshoek. Beide coasters waren ruim 59 meter lang en bijna 10 meter breed. Het draagvermogen was rond de 1050 ton. De Gerry-S was bij het in de vaart komen kort de grootste coaster van het land. De schepen vervoerde veel kolen, maar ook graan, hout en stukgoed. De Gerry-S werd op 11 september 1967 verkocht naar Napels als Malaga. Op 16 februari 1978 gestrand bij Ciro Marina, Italië. Vervolgens verkocht voor sloop. Onduidelijk is of het schip gesloopt is of gebruikt werd voor lichter of ponton. De Betty Anne-S werd op 14 juni 1965 verkocht als Servannaise naar Marseille en zou nog negen keer verkocht worden. Drie keer als Polihronis, Polychronis, twee keer als AI Nikolas, Adamastos, Kriti en Giona. Het schip werd in 2003 gesloopt in Elefsis, Griekenland.

Fotobijschriften:

Een fraaie gouache van de Ton-S, gemaakt door Martin Heere.

De Gerry-S ligt voor reparatie in juli 1956 in dok te Swansea. De rederijnaam duidelijk zichtbaar in de schoorsteen.

Met een flinke deklast aangevroren ijs, loop de Gerry-S een haven binnen.

De voormalige Betty Anne-S als Polihronis te Rhodos op 23 juni 1982.